Een Staatse enclave in de Zuidelijke Nederlanden (1648 - 1786)

Na het Verdrag van Münster in 1648 vormen Liefkenshoek en Lillo tot 1786 kleine protestantse leefgemeenschappen in een vijandig rooms gebied.

Het Traktaat van Limietscheidingen lost in 1664 een netelig grensprobleem op dat al aansleept van kort na de overgave van Antwerpen in 1585. Hoewel de polders rond het fort Liefkenshoek en het dorp Doel juridisch tot het Spaanse grondgebied horen, bepaalt in de praktijk de Republiek der Verenigde Nederlanden er de wet. De inwoners leven er in juridische onzekerheid. Het verdrag van 1664 tussen Spanje en de Republiek bevestigt het gezag van de Republiek in een beperkt gebied rond het fort met een oppervlakte van 175 gemeten en 45 roeden, de zogenaamde ‘Komme van Liefkenshoek’. De rest van de Doel- en de Sint-Anna-Ketenispolder en het hele dorp Doel ligt nu officieel op Spaans grondgebied. Toch blijft de invloed en de macht van het fort er nog jaren sterk voelbaar.

In 1715 gebeurt het omgekeerde: de polders van Doel en Sint-Anna-Ketenis en het dorp Doel komen juridisch onder het gezag van de Republiek. De feitelijke toestand ziet er nu echter totaal anders uit: de invloed van de Republiek is sterk afgenomen en dat blijft zo.

In het fort Liefkenshoek verblijven, net zoals in het fort Lillo, tussen 1585 en 1786 bataljons, compagnieën of detachementen van het Staatse leger. Dat leger is ontstaan tijdens de opstand tegen Spanje. De compagnieën in Liefkenshoek zijn vaak Zeeuwse eenheden onder het bestuur van het gewest Zeeland. Maar ook de prins van Oranje, de Staten-Generaal en de andere gewesten hebben er een flinke vinger in de pap. Het Staatse leger is een volledig beroepsleger. Naargelang van de politieke omstandigheden vullen huurlingen de vaste kern aan. Op Liefkenshoek verblijven geregeld Zwitserse en Schotse compagnieën.

In het fort wonen en werken ook burgers. Ze nemen er vooral ondersteunende en gespecialiseerde taken voor hun rekening. Burgers worden streng geselecteerd op competentie en geloofsovertuiging. Ze leggen bij hun aanstelling steeds de eed van trouw af tegenover de prins van Oranje, de Republiek der Verenigde Nederlanden en het gewest Zeeland. Het militair functioneren van het fort staat steeds voorop.

Al in 1579 verzorgen reizende predikanten te Liefkenshoek het gereformeerde zielenheil van de soldaten die Antwerpen tegen de oprukkende Spanjaarden moeten verdedigen. Ze ontvangen hun salaris uit de Antwerpse stadskas. Na de overgave van de stad in 1585 valt Liefkenshoek samen met het fort Lillo in handen van de opstandige gewesten. Meteen wordt een kerkgemeenschap opgericht en een vaste predikant aangesteld. Kerk en predikant regelen tweehonderd jaar lang het religieuze en morele leven in het fort.

Eerst werkt de predikant vanuit een noodkerk. Een echte kerk komt er in 1619, maar het gebouw vertoont nogal wat gebreken: de gelovigen volgen de eredienst met hun voeten in het water. In 1631 wordt dit gebouw gesloopt en een nieuwe kerk gebouwd. Bij overbevolking van het fort doet deze kerk dienst als logement voor soldaten. De zolder is een opslagplaats voor de graanvoorraad. De Oostenrijkers maken het gebouw na 1786 geschikt voor het opdragen van de rooms-katholieke erediensten. Lang duurt dat echter niet: in 1790 wordt de laatste mis opgedragen. De Fransen slopen de kerk omstreeks 1810.